Mijn nieuwe boek Carwash wordt godlof over de hele lijn goed tot uitmuntend ontvangen, zowel door professionele critici als door mensen die lezen voor hun plezier ('het is een waar kunstwerk,' zo schreef mij Vreni uit Utrecht), maar natuurlijk is er in de loop van de decennia wel degelijk een boel bagger over mijn werk uitgestort, wees gerust. Ik weet dus hoe pijnlijk een slechte recensie steeds is, onveranderlijk, onvermijdelijk en zonder uitzondering. Een negatieve boekbespreking is zelfs, voor de echte schrijver toch, die de naam schrijver waard is, en wat hij zelf ook schouderophalend moge beweren, telkens een ervaring die met maar weinig zaken valt te vergelijken: in zijn beleving is het niet zozeer zijn boek dat hij publiekelijk verworpen ziet, zoals je misschien zou kunnen denken, maar zijn hele wezen, zijn hart en ziel en alles wat hij, kortom, ís.
Dat de getroffen schrijver na lectuur van een en ander ten prooi valt aan gloeiende moordzucht, die vervolgens bij gebrek aan beter bekoeld wordt door de papieren bespreking in kwestie luid brullend te lijf te gaan, haar te verscheuren of verfrommelen of verknippen of zelfs wild kauwend met wijd open muil te verslinden – indien hij de krantenbladzijde al niet gebruikt, de literator, om er zich, ahum, met het nodige misbaar mee te, nu ja, reinigen, weet u wel – is dan ook de normaalste zaak van de wereld.
Opvallender is het wanneer uitgevers zich tot een dergelijke, weinig rationele reactie op een slechte recensie laten verleiden. In 2012 haalde uitgever Harold Polis het nieuws door op een podium, in het zicht van een bomvolle zaal en naar eigen zeggen teneinde 'de boze geesten' uit te drijven, een hem onwelgevallig stuk uit De Standaard der Letteren aan de likkende vlammen te voeren: de schrijver ervan had zich bepaald niet geestdriftig getoond over een door Polis gepubliceerde roman. Veel enthousiasme wist Polis met zijn bladverbranding op zijn beurt niet te wekken bij de publieke opinie, maar niemand vond het bij mijn weten nodig om te schreeuwen dat de jaren 30 terug waren, en de zaak ging al met al vrij geruisloos voorbij.
Dat ik deze week aan Polis' uitschuiver moest terugdenken, had niet te maken met het feit dat het vandaag, in 2021, tweehonderd jaar geleden is dat Heinrich Heine zijn toneelstuk Almansor voltooide, met daarin de befaamde profetie dat waar men boeken verbrandt, men algauw ook mensen zal verbranden, maar wel met de genaamde Jeanette Winterson.
Misschien nog wel bekender dan de zonet aangehaalde uitspraak van Heine is het spreekwoordelijke advies 'Don't judge a book by its cover'. Een behartigenswaardige raad, als je het mij vraagt, zeker in deze tijd, waarin mensen sneller met hun oordeel klaarstaan dan Lucky Luke himself schieten kan, maar daar schijnt Winterson geen boodschap aan te hebben. Zó malcontent voelde Jeanette zich immers met het splinternieuwe jasje dat een aantal van haar teerbeminde meesterwerken in een verse herdruk aangemeten hadden gekregen, dat zij niet alleen de betreffende boeken doodleuk in de fik stak, maar het privévuurfeest daarbovenop vastlegde op de gevoelige plaat en er een foto van op Twitter postte. Wat haar aan de nieuwe flappen zo stoorde, maakte de schrijfster duidelijk in een begeleidend tekstje: de gehekelde lay-out creëerde volgens haar de indruk dat zij, o gruwel, de vervaardigster van 'wimmins fiction' was, en meer bepaald dan van 'vrouwenliteratuur van de ergste soort', die naar haar mening dus radicaal richting brandstapel diende te worden verwezen.
Haarscherp inschatten hoe grenzeloos seksistisch deze uitspraak juist is, laat ik graag over aan mensen die ter zake specialistischer dan ik zijn. Mij trof namelijk ook nog iets anders.
'En wie bezorgd is over mijn bijdrage aan de klimaatopwarming,' twitterde de Engelse auteur meer bepaald nog, 'ik heb zonnepanelen en een warmtepomp, ik woon in een bos en fiets naar de supermarkt!'
Het is niet te geloven, en toch is het waar: er lopen op deze wereld tegenwoordig blijkbaar mensen rond die bij een foto van een boekverbranding in de eerste plaats gaan zitten piekeren over de schadelijke gevolgen ervan voor het milieu. Het is als bij het afgeknald zien worden van een hond je zorgen maken over het lood dat samen met hem in de grond zal belanden. Daarnaast bestaan er kennelijk gevierde auteurs – Winterson won met haar aanmaakblokken verschillende prijzen – die in ernst verkondigen dat in een bos wonen dé methode is om de klimaatopwarming tegen te gaan – allen daarheen, zou ik zeggen – en dat je je zo'n beetje alles kunt veroorloven als je maar een warmtepomp en een tweewieler in je bezit hebt.
Ik heb nooit eerder de neiging ertoe bij mezelf gewaargeworden, maar dat is intussen volledig veranderd: ik moet dringend eens een boek van die Winterson lezen. Echt waar. Ze blijkt als geen ander tot diep nadenken te kunnen stemmen.